2e zondag van de advent A - 2007

Zusters en broeders,

‘Wij tekenen voor de toekomst.’ Zo luidt de slogan van Welzijnzorg dit jaar, en daarmee wordt in de eerste plaats het onderwijs bedoeld. Een onderwijs dat erop gericht moet zijn om aan alle kinderen uit alle bevolkingslagen evenwaardige en goede kansen te bieden. Volgende zondag, de campagnezondag van Welzijnszorg, gaan we daar dieper op in. Maar we moeten helemaal niet wachten tot volgende zondag om te tekenen voor de toekomst. De lezingen van vandaag zijn immers een oproep om dat nu al te doen. Niet volgende zondag, niet volgende maand, niet later, maar nu. Onmiddellijk.

In het evangelie laat Johannes de Doper er geen twijfel over bestaan. ‘Bekeer u’, zegt hij, ‘want het Rijk der hemelen is nabij.’ En van overal komen de mensen naar de Jordaan om zich te laten dopen in een doopsel van bekering. De farizeeën en de sadduceeën scheldt Johannes brutaal uit voor adderengebroed. Volgens hem zijn ze er helemaal niet op uit zich om te bekeren en zijn ze ook niet op zoek naar het Rijk der hemelen. Hun straf daarvoor zullen ze niet ontlopen: de bijl ligt al aan de wortel van de boom, en elke boom die geen goede vruchten draagt, zal worden omgehakt en in het vuur geworpen. Johannes is een donderprofeet, een pessimist, een man met iets als een ondergangsvisie. Ik vraag me dus af of de mensen zich zo massaal lieten dopen omdat ze effectief hun leven wilden veranderen, dan wel of ze zich lieten dopen uit angst. Angst voor die vreselijke, dreigende, straffende God in wiens naam Johannes donderpreken hield.

En ik vraag me ook af hoe wij zouden reageren als de voorganger ons op zulke donderpreken zou trakteren.

Ik denk dat er weinig applaus zou zijn, en dat komt omdat er in zulke preken één element ontbreekt dat wij, dank zij Jezus, zo belangrijk vinden, en dat is: hoop. Bij Johannes is daarvan geen sprake: de bijl ligt al klaar om er driftig mee in het rond te hakken. Maar daarmee jaag je de mensen alleen maar angst en afkeer aan. Jezus zal dat nooit doen. Hij is niet de man van het oordeel en nog minder van de veroordeling. Integendeel, Hij zegt: ‘Oordeel niet, en gij zult niet geoordeeld worden.’ Hij brengt geen dreigende, wel een Blijde Boodschap: een Boodschap van liefde, van vrede, van gerechtigheid. En Hij sluit niemand uit: de zondaars niet, de heidenen niet, de Romeinse bezetter niet, de kleingelovigen niet. Voor Hem zijn alle mensen kinderen van God, en voor al die mensen is er hoop. Geen bedreiging, maar hoop. Het Rijk Gods wordt niet gebouwd op donderen, bedreigen en uitsluiten, maar op liefde, vrede en gerechtigheid. Dat is Jezus’ Blijde en hoopgevende Boodschap

Die hoop wordt prachtig verwoord in het eerste lezing, een heel mooi visioen van Jesaja. Daarin schetst hij hoe de wereld er zou uitzien mocht iedereen zich willen bekeren tot het Rijk der hemelen. Een droom van een wereld zou het zijn. Stel je voor dat Bush en Osama Bin Laden vredesapostelen zouden worden. Dat de vele duizenden miljarden die nu aan oorlog, terrorisme en bewapening besteed worden, zouden worden aangewend om armoede te bestrijden, ziektes uit te roeien, de woestijn vruchtbaar te maken, propere industrie uit de grond te stampen. Stel je maar even voor hoe het zou zijn als alle mensen als broers en zussen met elkaar zouden omgaan, en niet als roofdieren op zoek naar prooi. Stel je dat allemaal maar eens voor. Een droom van een wereld, een aards paradijs. Een Rijk der hemelen op aarde.

En ten slotte: hoe gaan wij om met die oproep tot bekering? Wij zijn toch trouwe kerkgangers, wij onderhouden de geboden, wij delen broederlijk mee met Welzijnszorg, wij proberen te leven in het spoor van Jezus. Hoe moeten wij ons dan bekeren? Ik denk dat onze bekering erin bestaat dat we ons met meer ijver en met meer bewustzijn zouden inzetten voor die droom van God, voor dat Rijk der hemelen op aarde. Dat we mensen zouden worden die bewust kiezen voor het goede, in alles wat we doen en denken. Ook in het kleine van ons dagelijkse leven: onze omgang met elkaar, met onze kinderen en kleinkinderen, met onze buren en onze collega’s op het werk, met mensen die we niet sympathiek vinden, met de zwakkeren in de samenleving en ga zo maar door. Dat we dus niet zouden ophouden te werken aan dat visioen van Jesaja, dat zo mooi het visioen van Jezus en de droom van onze algoede God verwoordt.

Zusters en broeders, laat dat onze advent zijn: een bekering tot bewust verlangen naar en inzet voor het Rijk van God in deze wereld. Amen.