Gekomen om in vervulling te brengen

Exegeten die in de hemel belanden, wachten daar niet te lang om Mattheus te ontmoeten. Ze willen immers van hem weten of hun interpretaties over wat hij in het evangelie geschreven kloppen. Ze hebben moeite gehad met een aantal zinnen uit het evangelie. Dit zijn vooral vier zinnen waarmee Mattheus de hoofdbrok van de Bergrede inleidt (Mt. 5,17-20). De belangrijkste van deze vier is daarin de uitspraak van Jezus: “Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet en de Profeten op te heffen. Ik ben niet gekomen om op te heffen maar om de vervulling te brengen.” En daarna spreekt Jezus over de Wet die in het kleinste puntje is te onderhouden. Heeft Jezus dit zelf wel gedaan?

Zoeken naar evenwicht

Mattheus, die over Jezus schrijft en hem verkondigt, staat voor een delicate opdracht. Hij heeft in zijn gemeente veel Joden die christen zijn geworden. Deze Joodse christenen zijn bezorgd wanneer veel uit het Joodse erfgoed zou verdwijnen. Hun standpunt komt wellicht niet altijd overeen met de visie van Paulus. Mattheus schrijft zeker niet af wat Wet en Profeten hebben gebracht. Maar zoals Paulus zal hij de nadruk leggen op de liefde.

Mattheus heeft de vetes meegemaakt na de verwoesting van de tempel waarbij de spanning met de Farizeeën verder zijn toegenomen. Aan christenen werd de toegang tot de synagoge ontzegd.

Mattheus verkondigt zeker het nieuwe dat Jezus brengt en hij erkent tevens de trouw die Jezus heeft voor Wet en Profeten. Hij beschouwt zich als degene die uit zijn schat oud en nieuw te voorschijn haalt en beide eerbiedigt (Mt. 13,52).

Opbouw

Mattheus heeft in de Bergrede veel woorden gegroepeerd waarmee Jezus aangeeft wat hij van zijn volgelingen verwacht. Volgens de uitleg van Peter Schmidt is de kern van de Bergrede te vinden in het Onzevader. Hij bekijkt het als een roosvenster in een gotische kathedraal. Deze zijn meestal geconstrueerd als concentrische cirkels rond een middelpunt. ”In de Bergrede vormt het Onze Vader het hart van het wiel. De dichtste kring errond wordt gevormd door de werken van gerechtigheid (6,1-6 met 16-18). De kring rond die eerste kring is de omvangrijkste, Jezus’ commentaar op Wet en Profeten: 5,17-48 met 6,19-7.12. De derde en buitenste kring bestaat uit de inleiding en de conclusies: 5;3-16 met 7,13-27). Het hele roosvenster ten slotte zit gevat tussen de inclusies 4,25-5;2 met 7,28-8,1)” (Peter Schmidt p. 55), Bij het lezen van de afzonderlijke delen houden we best het geheel van de Bergrede voor ogen.

Twee zondagen na elkaar neemt Mattheus ons mee in de commentaar van Jezus op Wet en profeten om ons ten slotte de oproep mee te geven: ”Wees onverdeeld goed zoals uw hemelse Vader onverdeeld goed is” (Mt. 5,48). Ondertussen krijgen we een beeld van Jezus, die groter is dan Mozes. In Israël is geen berg zo hoog als de Sinaï, maar hij die in Israël de berg van de zaligsprekingen is opgegaan, is groter en overtreft Mozes die op de Sinaï was. Jezus is de nieuwe Mozes.

We ontdekken dat Jezus en Mattheus gretig gebruik maken van hyperbolen, van Oosterse overdrijvingen en beelden, die zelfs angstaanjagend zijn zoals de afgehakte arm en het uitgetrokken oog. Maar zoals Claude Tassin schrijft, wijzen deze gezegden op de ernst van het onderwerp. “Qui vole un oeuf, vole un boeuf.” Maar wie een ei steelt, wordt niet bestraft alsof hij een os zou gestolen hebben (Claude Tassin, L’Evangile de Matthieu, p. 56).

Wij krijgen een reeks tegenstellingen, antithesen te horen. Ze vangen aan met de woorden: “Gij hebt gehoord, maar Ik zeg u.”

Hierbij wordt wat aan voorouders is gezegd niet als verkeerd aangegeven en beoordeeld. Het Jodendom wordt niet afgeschreven. De jonge kerk heeft met zulke spanningen af te rekenen. Marcion maakte in de tweede eeuw de tegenstelling tussen oud en nieuw Testament zo groot, dat hij het eerste afschreef en negeerde. Ook bij Luther zijn er harde uitspraken tegenover de Joden.

De luisteraars hebben toch wat tijd nodig om alles te verwerken wat Jezus zegt over Wet en Profeten. Het is immers een serieuze lijst van ernstige daden. Jezus vraagt inderdaad een ommekeer.

Wij beseffen dat de wereld gelukkiger en schoner zou bij zijn, wanneer het leven wordt geëerbiedigd en beschermd, het gegeven woord wordt onderhouden. We geloven dat de wereld anders kan zijn. Vandaar dat er vele spreuken en mooie powerpresentaties circuleren, die een straaltje weerkaatsen van het licht van de Bergrede als korrels van geluk.

Of de politici met de Bergrede rekening houden? Waar zou Duisland gestaan hebben indien de landen bij de inval van de Duitser in hun land hun tweede kaak hadden aangeboden aan Hitler, zou de Duitse bondskanselier Helmut Schmidt ooit eens gevraagd hebben. Helmut Schmidt had zijn vragen over de kerken in zijn land, maar hij bekent toch dat hij het Onzevader en de Tien Geboden niet wou missen.

Richard von Weizsäcker (1920 - 2015), president van Duitsland, was wel overtuigd van de kracht van de Bergrede in ons handelen. Op een vraag naar haar betekenis zei hij: „Würden wir Menschen nach der Bergpredigt handeln, dann könnten wir überall Frieden, Freiheit und Gerechtigkeit verwirklichen. Jeden Tag übersteigt dies die Kräfte unserer Natur. Das ist aber kein Grund für politische Enthaltung oder Resignation, sondern ein Antrieb. Nur darf niemand die Bergpredigt dazu mißbrauchen, um auf Erden ein von Menschenhand geschaffenes Paradies zu versprechen. Die großen Konflikte der Zeit wären lösbar, wenn wir Menschen die Kraft fänden, persönlich und politisch gemäß der Bergpredigt zu handeln.“ 

Post-truth era

De recente verkiezingen in de States hadden weinig oor naar de Bergrede. “Uw ja ze ja en uw neen, neen” (Mt. 5,37). Het was er verre van. De taal mocht grof en beledigend zijn, ze mocht onwaar zijn en onbeschoft.

Sinds kort is in de Oxford Dictionary de term ‘post truth era” opgenomen als woord van het jaar. In het tijdperk van ‘de post-waarheid’ gelden de objectieve feiten minder, maar hebben de emotionele elementen meer invloed. De manier waarop de campagne voor de Brexit is gevoerd en de strijd om het presidentschap in de VS is verlopen, bevestigen dat leugen en desinformatie stemmenwinst opbrengen.

Misschien zullen de exegeten aan Mattheus vragen dat hij nog eens verduidelijkt wat hij bedoelde met de grotere gerechtigheid dan deze van de Schriftgeleerden en de Farizeeën. Hij zal antwoorden: herlees wat ik schreef. Hij zal er aan toevoegen dat hij niet de bedoeling had mensen tegen mekaar uit te spelen. Jezus wou geen tegenstellingen scheppen. Hij wou evenmin losser omgaan, met regels. Hij wou eerder de wet dieper en intenser beleven. Jezus wou de wet radicaliseren, dit is naar haar wortel brengen. “Jezus vertrekt van het noodzakelijke minimum van de Wet, dat de functie heeft van leidraad om een sociaal en leefbare samenleving op te bouwen. Jezus aanvaardt die functie, maar hij vraagt dat wie werkelijk zijn leerling wil zijn – dat wil zeggen wie werkelijk wil binnentreden in het Rijk der Hemelen – verder zou gaan” (P. Schmidt, p. 119).