5e zondag van de veertigdagentijd A (2008)

Soms heb je van die toevalligheden die te mooi zijn om niet waar te zijn. In het weekend waarin de kerk ons een evangelie voorlegt dat vooral gaat over twee vrouwen, vieren we in onze maatschappij Internationale Vrouwendag. Over twee vrouwen moet het vandaag dus gaan, Martha en Maria.
Ze hebben een broer Lazarus, en Lazarus is ziek. Ze maken zich zorgen om hem, en het zal Martha, altijd al de meest daadkrachtige van de twee geweest zijn, die gezegd heeft: "Dit moeten we Jezus laten weten: We weten hoeveel hij van Lazarus houdt, en als hij komt kan hij Lazarus misschien genezen." En dus laten ze het Jezus weten. Maar Jezus komt niet, en Lazarus sterft.
Bij Martha en Maria moet er op dat moment iets gebroken zijn. Ze moeten hun broer begraven, en Jezus die niet alleen een goede vriend van de familie was, maar ook degene van wie ze geloofden dat hij deze dood had kunnen voorkomen, heeft het volstrekt laten afweten.

Ik herken me in jullie, Martha en Maria: Het gebeurt me zo vaak dat ik me zorgen maak om iemand die ziek is, dat ik bang ben voor de wereld waarin ik leef, dat het me schijnt alsof er overal dreiging hangt. En als ik op die momenten probeer te bidden: "Kom Heer Jezus, nu bent u nodig, bij die zieke, bij mij in mijn angst!" dan lijkt het soms alsof er alleen stilte als antwoord komt, en de dood alle ruimte krijgt om zijn kille werk te doen. En het enige dat ik dan nog kan doen is rouwen, afgestompt leven.

En dan, na drie dagen horen Martha en Maria dat Jezus alsnog op komst is. Martha wacht geen moment en snelt hem tegemoet. "Heer, als u hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn." Je hoort het verwijt in haar stem, maar ze herpakt zich snel: "Zelfs nu weet ik dat wat U ook aan God vraagt, God het U zal geven." En als Jezus zegt "Je broer zal verrijzen", spreekt Martha haar geloofsbelijdenis uit: "Ik weet dat hij zal verrijzen, bij de verrijzenis op de laatste dag." Een krachtige vrouw, Martha. In haar nood heeft ze het geheim bewaard dat Gods leven uiteindelijk zal overwinnen, door alles heen.

Jezus ziet haar geloof, en nodigt haar uit nog een stap verder te gaan: "Die verrijzenis, dat leven waarover je het hebt, dat ben ik. Wie in mij gelooft, leeft ook al is hij dood, en wie leeft in geloof aan mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Geloof je dat?"

Ik hoor het Jezus vragen ook aan ons, vandaag, en ik vind het moeilijk om een goed antwoord te geven: "Hier sta ik voor u, Heer, met mijn angsten, vaak heel reëel, met mijn zorgen om dierbaren die ziek zijn, die het moeilijk hebben. Ik weet niet of ik me zo aan u durf toe te vertrouwen."

Gelukkig staat Martha naast me, en haar stem klinkt helder: "Ja Heer, ik geloof dat U de Messias bent, de Zoon van God, die in de wereld komt." Ik keer me naar Martha: "Heer, Messias, Zoon van God, hoe kun je dat zo zeggen?" En Martha glimlacht: "Ze noemen mij altijd de doener, naast mijn zus. Maar ik heb in mijn verdriet ook nagedacht, en ik weet dat ik niet kan bepalen wanneer God komt. Ik had gehoopt dat hij zou komen toen Lazarus nog leefde. Maar nu ik Jezus hier zie, weet ik dat zijn vriendschap bij ons is. Die vriendschap geeft me kracht, juist nu Lazarus dood is."

En dus haalt ze Maria. Zodra Maria hoort dat Jezus er is, gaat ze naar hem toe en ze valt hem te voet. Voor ons westerlingen die niet geleerd hebben om op die manier met ons lichaam te communiceren, is het een vreemd gebaar, maar je voelt onmiddellijk aan wat Maria doet: Ze geeft zich volstrekt over aan Jezus, durft klein te zijn en zich aan hem toe te vertrouwen. Het gebaar van een door en door gelovig mens, een vrouw die de moed heeft om zo kwetsbaar te zijn. En die de moed heeft om zich uit te spreken. Opnieuw horen we de woorden die haar zus eerder ook al sprak: "Heer, als U hier was geweest, was mijn broer niet gestorven."

En gebeurt er iets onverwachts: Jezus breekt. Dringt nu de betekenis van de dood van zijn vriend Lazarus tot hem door? Is hij boos, dat zelfs Martha en Maria er niet op lijken te willen vertrouwen dat waar hij is, de dood het laatste woord niet heeft? Of is het uit medeleven met hen? Ik weet het niet, maar hij laat zich meenemen naar het graf van Lazarus en huilt.

Hij vraagt zelfs naar dat graf: "Waar hebben jullie hem neergelegd?"
Daar waar het graf is van mijn angst, daar waar de tombe is van mijn verdriet, van mijn zorgen om een dierbare zieke, Jezus wendt zich er niet van af, maar vraagt er naar: Waar ligt jouw verdriet begraven, neem me mee naar de steen die op jouw zorgen ligt."

Eenmaal bij het graf aangekomen, verandert zijn toon. Er staat in het Grieks iets dat met woede te maken heeft. Hier, oog in oog met de dood moet er gehandeld worden, en Jezus pakt door: "Haal die steen weg", klinkt het bevel. Daar waar de levende Heer is, daar moet ruimte komen, daar moet lucht bij de angst, licht bij de zorgen. Maar Martha biedt weerstand: "Heer, het is al de vierde dag, de stank!"

Iedere keer als ik in dit evangelie die zin hoor, goede God, voel ik me een beetje betrapt. Als ik verdrietig ben kan ik verlangen naar uw aanwezigheid, in mijn zorgen kan ik hopen dat u het in mij open zult breken zoals u het graf van Lazarus opent. Maar op het laatste moment bekruipt me dan ineens de twijfel. Ik ken mezelf een beetje, God. Ik weet dat er naast mooie ook lelijke kanten in me zitten, dat het in mijn angsten en zorgen soms kan stinken naar dikdoenerij of egoïsme, en dat ik die steen er maar liever op laat. U komt te dichtbij, dicht bij een plek waarnaar ik zelf niet eens goed durft te kijken.

Jezus' antwoord is krachtig: "Zei ik niet, dat als je gelooft, je Gods heerlijkheid zult zien?' Ze halen de steen weg, en Jezus bidt, een gebed dat straalt van zijn vertrouwdheid met de Vader: "Ik dank U, dat U mij verhoord hebt. Ik weet wel dat U me altijd verhoort, maar mensen moeten het steeds opnieuw leren, dat U mij gezonden hebt om op te wekken wat doods is, om te bevrijden wat weggestopt is achter een grafsteen. Zo ben ik immers uw kind, beeld en gelijkenis van de bevrijdende God."

Beste mensen, na het verhaal over de Samaritaanse bij de put twee zondagen geleden, na het licht in de ogen van de blindgeborene de vorige zondag, horen we vandaag een derde verhaal over wat geloven betekent, een echt paasverhaal. Drie lange verhalen uit het evangelie van Johannes, die ons steeds een stapje dichter hebben gebracht bij waar ons geloof in de kern om gaat. Nog een keer zullen we een lang verhaal uit Johannes horen: Op Goede Vrijdag, het verhaal van Jezus' lijden en dood. Dan zijn we klaar om in de paasnacht als nieuwgedoopte mensen ons geloof uit te spreken, en voluit leerlingen van Jezus te zijn. Dan zijn we klaar om Pasen te vieren, om te vieren dat bij God de dood het laatste woord niet heeft. Pasen, ons Pasen is nu niet ver meer.