Bartime

Twee weken geleden hoorden we het verhaal van de rijke jongeling, de anonieme jongeling – Marcus vindt het nog niet eens nodig zijn naam te vermelden - die enigszins arrogant naar Jezus toekomt, en een beetje neerbuigend ("slijmend" zouden de jongeren tegenwoordig zeggen), aan Jezus vraagt: "Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?" Bartimeüs niet, die zit langs de kant van de weg, en roept maar, vanuit zijn nederigheid: "Zoon van David, heb medelijden met mij". Eleison, staat er in het Grieks, het is ons "Kyrie Eleison". De een is steenrijk, de andere straatarm. Maar Bartimeüs heeft tenminste een naam: Bartimeüs, zoon van Timeüs.
Bartimeüs schreeuwt. Hij laat zich de mond niet snoeren. Hij heeft niets, hij wil niets, hij hoeft niets, hij heeft ook niets te verliezen, hij wil alleen maar ontferming, hij wil zien. De rijke jongeling heeft alles wat zijn hartje begeert, hij heeft niets nodig, hij heeft alles al, en bovendien een hoge dunk van zichzelf: "alles wat de Wet voorschrijft, onderhoud ik nauwkeurig, sinds mijn jonge jaren". Bartimeüs niet, die kan alleen maar schreeuwen om ontferming. Hij weet dat hij niet volmaakt is, integendeel, gehandicapt, zondaar, bedelaar en een arme sloeber.
De rijke jongeling vraagt: "Wat moet ik doen?". Bij Bartimeüs is het Jezus die vraagt: "Wat wilt je dat ik voor je doe?" De rijke jongeling treedt onbevangen naar voren, zeker van zichzelf. Bartimeüs niet, de omstanders drukken hem weg, naar de kant van de weg. Ze snoeren hem ook nog de mond. Maar wanneer Jezus Bartimeüs hoort en ziet, en hem bij zich roept, zijn het opeens de omstanders die slijmen: "Ga gauw, Hij roept je".

De een, de jongeman, de anonieme "iemand", spreekt Jezus aan met afstandelijke "Goede Meester", maar wordt onmiddellijk door Jezus gecorrigeerd, en zegt daarna maar gewoon: "Meester", "Rabbi". Bartimeüs mag Jezus aanspreken met het vertrouwelijke "Rabboeni", zoals je een goede vriend aanspreekt met wie je heel vertrouwelijk omgaat. Het is een kooswoord. Letterlijk betekent het: "Mijn meestertje", "mijn beste meester". Het komt in alle evangelies nog maar één keer voor, namelijk bij Johannes, wanneer Maria Magdalena de Verrezen Heer mag aanspreken met "Rabboeni".

De rijke jongeling is zeker van zichzelf, van zijn geloof, maar hij ziet niet dat zijn geloof hem blind maakt, hij ziet niet. Bartimeüs is blind, maar hij ziet, zijn geloof maakt hem ziende.

De rijke jongeling ziet Jezus, maar hij ziet Hem niet echt. De blinde Bartimeüs ziet Jezus niet, maar hij ziet Hem heel goed. Een van de twee is ziende blind. En dat is niet de blinde. Jezus, van Zijn kant, ziet. Hij kijkt de rijke jongeling liefdevol aan, zoals Marcus schrijft, maar de rijke jongeling ziet Hem niet, hij ziet alleen zichzelf. Bij Bartimeüs blijft Jezus even staan en zegt: "Roept hem eens hier". Jezus ziet Bartimeüs, en Bartimeüs ziet Jezus, hoewel hij blind is.
Beide verhalen eindigen dan ook geheel anders. De rijke jongeling kan uiteindelijk niets van zijn bezittingen wegdoen, hij kan niets loslaten. Bartimeüs laat alles los wat hij heeft, zijn mantel, zijn enige bezit gooit hij op de grond, hij springt op, en hij loopt al tastend met zijn handen naar Jezus toe. Hij heeft niets meer, maar hij wil alleen maar zien.

En tot de rijke jongeling zegt Jezus: "Volg mij", maar hij volgt Hem niet. En tot Bartimeüs zegt Jezus: "Ga", maar Bartimeüs gaat niet, hij volgt Jezus. De rijke jongeling gaat gedesillusioneerd weg, hij ziet het niet meer zitten. Bartimeüs ziet, en volgt Jezus op zijn weg.

Ontferming is hem ten deel gevallen. Ontferming, die de rijke jongeling, door afstand te doen van zijn bezit, aan de armen had kunnen geven, maar niet heeft gegeven. Bartimeüs, de blinde, ziet. Ontferming heeft hij gekregen, maar slechts vanuit zijn geloof, zijn vertrouwen. De rijke jongeling, die dacht dat hij het allemaal wel goed gezien had, verdwijnt, anoniem als hij gekomen is, in de donkerte van de wereldgeschiedenis. En Bartimeüs, zijn naam wordt tot op de dag van vandaag genoemd.

Het verhaal van vandaag laat zien dat bij Jezus iedere logica wegvalt. Dat wij alles wat wij, mensen, belangrijk vinden, gerust kunnen loslaten;
- dat geenszins de logica gevolgd wordt van wie ziet, ook ziet, en wie blind is, niet ziet;
- dat iemand bij wie alles er op wijst dat hij Jezus volgt, Jezus nu net níét volgt, en dat iemand van wie men het niet zou verwachten, Jezus nu net wél volgt.
De verhalen van de rijke jongeling en van Bartimeüs gaan over ieder van ons. Soms lijken wij op de een, soms lijken wij op de ander.
"Dat ik dat nu pas zie", zo zeggen wij wel eens, als we achteraf – veel te laat – inzien hoe we ooit iets helemaal verkeerd hebben gedaan. "Hoe kan het, dat ik dat nu pas inzie? Ik zie nu pas hoe het is", zeggen we dan. "Ik zie het nu pas goed". Soms merken wij ook dat we ergens blind voor zijn geweest. Of anderen wijzen ons op een blinde vlek in ons leven, in onze omgang met anderen. En dan ontdekken wij dat we ook wel eens blind zijn geweest.
"Uw woord is een licht op mijn pad", zingt de psalmist. En dan zoeken wij naar licht, naar helderheid, naar het licht dat die blinde vlekken in ons leven kan weglichten. En dan proberen wij toch dat pad, die weg te volgen, Bartimeüs achterna.