Een kerk in transformatie (2006)

Wat Johannes zag vind ik zo fantastisch en actueel. In zijn droomstad staat geen tempel meer, geen afzonderlijke plaats waar het heilige vastligt, neen, God zelf woont in de stad waardoor alles geheiligd wordt. Het onderscheid sacraal - profaan is met andere woorden opgeheven. De poorten zullen niet gesloten worden, want de nieuwe stad wil een open plek zijn waar mensen van allerlei gezindte en achtergrond welkom zijn. In het centrum van de stad staat een grote boom, de levensboom als verbindingssymbool tussen hemel en aarde en als bescherming voor ieder die wil schuilen.

Hoe kan ik dat alles vertalen naar deze plek waar we zoeken naar verkwikking en herbronning? Toen we met onze werkgroep gingen samen zitten wisten we wel waaraan we begonnen, maar niet waar we zullen eindigen. Met enkele begeleiders moesten we in een eerste moment durven loskomen. Vragen als: wat zou je wensen als je eens ongeremd en onrealistisch over deze plaats begint te dromen? En: waarvoor zou je bang zijn? Wat leert ons dit als we al die dromen samen leggen?

Uit die eerste fase trachtten we toen al te achterhalen wat we dus belangrijk vinden: voor welke waarden willen we staan? Wat willen we zelf beleven en doorgeven aan een volgende generatie? En vervolgens: hoe vertaal je die visie in teksten, hoe geef je ze vorm?

Luister naar wat uiteindelijk onze basistekst is geworden, die voortaan als een handleiding onze verdere gesprekken zal begeleiden.                    

“Een visie op Filosofenfontein”

Filosofenfontein is een dominicaans geïnspireerde, open gastvrije gemeenschap
van zoekende mensen.
Een rustpunt, waar het leven geheeld en geheiligd wordt
Zodat wie er zich thuis voelt of even voorbijkomt
Er hoop, kracht en inspiratie kan vinden.
Vanuit de Bijbelse traditie,
De bewogenheid om het lot van e aarde,
De mystiek en een spiritualiteit die groei van onderuit
Vieren we op een eigentijdse wijze liturgie.
Naast de liturgie ontwikkelen we vanuit dezelfde inspiratie
En met een eigen dynamiek een aantal activiteiten.
Aandacht voor de totale mens,
Participatie van jong en oud,
Onderlinge verbondenheid,
Uitnodiging tot persoonlijk en maatschappelijk engagement,
Verbondenheid met andere gemeenschappen,
Aandacht voor het esthetische
En liefde voor de natuur
Zijn de dragende waarden in alles wat we samen doen.
Dit alles proberen we op een authentieke manier gestalte te geven.

Straks wordt u een krantje aangeboden waarop deze tekst staat, met daarbij een korte beschrijving van het traject dat we reeds hebben afgelegd en de namen van degenen die in deze groep zitten. Na deze viering bieden wij u ook een drankje en een hapje aan en is er gelegenheid om wat langer te praten en mee te denken met wat stilaan op gang is gekomen.

In de laatste vergadering hebben we ons voorgenomen om deze visietekst te vertalen naar twee concrete punten: de inrichting van de kapel en de vernieuwing van de zangbundel.

Neem deze laatste. We weten allemaal hoe belangrijk zingen is. De oude spreuk blijft waar: ‘qui bene cantat, bis orat’. Goed zingen is twee keer bidden, want de woorden waarin je je geloof uitzingt dragen je overtuiging. Daarbij is de muzikale textuur belangrijk in de wijze waarop je die overtuiging beleeft, en tenslotte zing je samen en hopelijk uit volle borst. Je deelt dus met hart, verstand en lichaam samen wat je uiteindelijk draagt en voortstuwt. Dat alles kun je beleven op een boventijdelijke, onaantastbare en esthetisch mooie manier door vb. gregoriaans te zingen. Neem je echter aan dat we ons geloof beleven vanuit de uitdagingen van de tijd, als zoekende mensen en ‘vanuit een spiritualiteit die groeit van onderuit’ (cfr. visietekst) dan ondergaat ook ons zingen aanhoudend deze verandering. Niet alleen zijn de kaften uit elkaar aan het vallen, sommige liederen zijn onzingbaar geworden, nieuwe, prachtige composities nodigen uit om ze zich eigen te maken. Denk maar aan het lied 521 dat we net zongen: ‘In ’t laatste van de dagen zal het zijn’. Enkele weken geleden besprak ik in deze viering het lied ‘Uit staat en stand en wijsheid losgewoeld’ en hoe daarin de typische gelovig-mystieke visie herkenbaar is van waaruit Oosterhuis teksten schrijft. Wat we zingen keert op een onbewuste manier terug naar onszelf en geeft gestalte aan ons geloof.

Hetzelfde kan gezegd worden over de vorm, de aankleding, de symbolische gestalte van deze ruimte. Deze plaats als een open plek, waar iedereen altijd welkom is: hoe kunnen we die (re)organiseren? Aan welke spiritualiteit willen we vorm geven in ons avondprogramma? Enz. De bedoeling bij dit alles is: hoe kunnen we die utopie waarvan Johannes droomde dichterbij halen? Hoe kan dat nieuwe, hemelse Jeruzalem, die niet-plaats of droom van samenkomst rond het of de Onnoembare, hier en nu gestalte krijgen?