De blinde komt mee en gaat weer zien (2006)

Nog niet gepubliceerd
×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 538 niet laden

De profeet Jeremia kennen wij vooral als een onheilsprofeet. Van zijn naam komt ook het woord jeremiëren, alsmaar klagen. Vandaag horen we de uitzondering die de regel bevestigt, want Jeremia spreekt woorden van heil, van jubel en vreugde: de HEER heeft redding gebracht, precies zoals het ook klinkt in Psalm 126.

Jeremia was actief in de periode vóór de ballingschap, een tijd van achteruitgang en dreiging. Daarom waarschuwde hij steeds, maar niemand wilde naar hem luisteren. Uiteindelijk leidde dit tot de val en de verwoesting van Jeruzalem, van de stad en de tempel. De Babyloniërs namen toen de hele toplaag van de bevolking mee, alle leiders en onthoofden zo als het ware de samenleving. Deze periode noemen we de Babylonische ballingschap. Misschien is het verrassend, maar Jeremia werd niet meegenomen naar Babylonië. Hij bleef achter in het land en zag hoe ze er daar aan toe waren. Hij behoorde tot 'de rest van Israël'. Daarmee worden dus allereerst de slachtoffers bedoeld, de overlevenden van de ramp. Pas later wordt die rest bekend als een theologische term: 'de heilige rest', het kleine deel van Israël dat God trouw gebleven is en altijd zijn geboden heeft onderhouden. Omwille van hen geeft God het niet op. Met hen wil God een nieuw begin maken. Letterlijk wil God hun lot ten goede keren, omkeren, niet alleen het lot van degenen die in het land zijn achtergebleven, maar ook zij die in ballingschap zijn weggevoerd wil God doen terugkeren naar het land. Daarover spreekt Jeremia vandaag in zijn boodschap van heil. Hij juicht en jubelt, omdat hij als in een visioen voor zich ziet hoe God het volk van overal vandaan weer terugbrengt naar Jeruzalem. God heeft zijn volk niet afgeschreven, niet vergeten en maakt een nieuw begin. Wat hierbij op valt is dat niet gesproken wordt over de toplaag van de samenleving, maar wel over de kwetsbare mensen: de blinden, de lammen en de zwangere vrouwen. Die komen mee. Nu zijn zwangere vrouwen niet alleen kwetsbaar, maar ook een teken van hoop en nieuw leven, maar blinden en lammen, dat zijn toch niet de eersten aan wie je denkt om een samenleving opnieuw op te bouwen? Behalve als je God heet. Bij God horen ook deze mensen erbij, zijn ze als het ware de toetssteen voor een samenleving die niemand buitensluit, waar ieder mens en tot haar of zijn recht komt.

Uit de Adventstijd kennen we dit soort teksten van God die de wegen begaanbaar maakt, dwars door de woestijn van Babylonië naar Israël. De heuvels moeten geslecht, de dalen gevuld, alle hindernissen weggenomen. Als we vandaag Jeremia horen over de lammen, de blinden en de zwangere vrouwen, werpt dit voor mij een nieuw licht op die wegen die begaanbaar moeten zijn. In onze tijd verplicht de overheid architecten en anderen om rekening te houden met mensen met een handicap. Misschien is die mentaliteit wel minder nieuw dan we denken. Zeker is in elk geval dat deze wegen begaanbaar moeten zijn, omdat God begaan is met mensen.

Dat geldt ook voor de blinde man in het evangelie. Hij heeft gehoord dat Jezus een man van God is, ook zo begaan met mensen. Daarom begint hij te roepen, zoals mensen in de bijbel en vooral in de psalmen al eeuwenlang tot God roepen: "Heer, heb medelijden met mij", "Zie mijn ongeluk", "Kom mij te hulp". Zo spreekt de blinde zoon van Timeüs Jezus aan: "Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!" De mensen om hem heen zeggen dat hij z'n mond moet houden.
Hij verstoort hun feestje. Zij willen tot het laatst genieten van het moment dat Jezus in hun stad Jericho is en dat niet laten verstoren door die blinde man, die hem met z'n eigen problemen lastig valt.

En dan blijkt het vertrouwen, het geloof van Bartimeüs. Je zou ook kunnen zeggen, dan merk je hoe hoog zijn nood is, dat hij als blinde man is buitengesloten. Niet voor niets zit hij buiten de stad te bedelen. Hij telt niet mee en er zijn nog geen voorzieningen voor gehandicapten. En als het een beetje tegen zit, zijn er zat mensen die hem laten merken dat het volgens hen zijn eigen schuld is dat hij blind is. Letterlijk eigen schuld: door zijn zonden of anders die van zijn (voor)ouders. De nood is dus hoog. Maar in het vervolg horen we dat Jezus zijn aanhoudende roepen vooral beschouwt als een teken van zijn vertrouwen in hem, in God. Wat Jezus doet blinkt uit in eenvoud. Hij vraagt: "Wat wilt u dat ik voor u doe?" Juist daardoor blijkt hoe serieus hij hem neemt. De man is blind, niet doof, niet stom en toch is het wellicht voor het eerst dat iemand aan hem vraagt wat hij wil, hem ziet staan en naar hem luistert. Zou hier niet het begin van zijn genezing liggen?

Genezingsverhalen zijn er altijd op gericht dat het buitensluiten van mensen wordt overwonnen. Zo ook vandaag. En de man die weer kan zien volgt Jezus, dat wil zeggen, wordt zijn leerling, zijn volgeling. Hij heeft de boodschap verstaan. De blinde ziet waar de zienden blind voor zijn: Jezus is de Zoon van David, de Messias die op weg is naar Jeruzalem. Daar zal hij met veel gejuich en gejubel worden welkom geheten: Hosanna, Zoon van David. Waar het werkelijk om gaat is dat de ogen van mensen open gaan voor de Messiaanse tekens: blinden gaan weer zien, doven gaan weer horen, mensen staan op uit de dood.

Die opdracht en uitdaging geldt ook voor ons. Er is duisternis, veel duisternis in onze wereld. Je moet blind zijn om het niet te (willen) zien. Waar het om gaat is dat wij de tekens van heil herkennen en dat we elkaar zien staan. Zo worden wij geroepen hem te volgen. Dat is nooit vanzelfsprekend, maar een houding die we onszelf moeten aanleren, waar we om kunnen vragen en bidden, waar we vandaag van zingen: Licht ons op, dat wij U zien.
Of ook: Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen of ergens al de wereld daagt waar mensen waardig leven mogen en elk zijn naam in vrede draagt.
Dat is geen gemakkelijke weg maar aan het einde gloort altijd het licht van de verrijzenis, want geen duisternis heeft ooit hem overmeesterd. Daarop mogen wij vertrouwen, wij die moeten leven in de schaduw van de dood ... hem achterna.