3e zondag door het jaar (2003)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 201 niet laden
Het evangelie vertelt ons een mooi roepingsverhaal maar ik kan me niet voorstellen dat het zo in werkelijkheid gegaan is. Jezus komt aan de oever van het meer een stel vissers tegen, hij zegt tegen hun: kom volg me, en zonder enig commentaar komen ze mee. Het wil er bij mij niet in dat die vissers zomaar hun boten en netten achterlieten om achter die vreemde rabbi uit Nazaret aan te gaan.
Verbeeldt u zich dat ik u zou vertellen dat ik als Jezus door Overloon liep op zoek naar enkele helpers. Dat ik bij Bos en Berg binnenging en tegen Hay zei: "Kom volg mij, dan mag je andere mensen te drinken geven". En Hay kwam meteen achter de tap vandaan om mee te gaan. "José, ik ben weg hoor". En dat was het. Als ik dat vertel, gelooft geen mens dat en terecht.
Ik denk dat het bij die vissers in Gallilea precies hetzelfde was. Die waren ook veel te nuchter om zomaar achter zo'n vreemde prediker aan te lopen. Je boot en je netten achter laten, je vader achter laten dat is een enorme stap, dat doe je niet zo maar, zeker als je niet goed weet wat die prediker eigenlijk precies wil.
Wij denken al gauw aan de vele wonderen die Jezus volgens de evangelieverhalen deed. En dan denken we: geen wonder dat ze met hem op stap wilden. Als ik hier wonderen kon doe, dan weet ik zeker dat elk weekend de kerk vol zat. Maar toen Jezus zijn eerste helpers riep, had hij waarschijnlijk nog geen enkel wonder gedaan. Tenminste daar blijkt niets van in de evangelieverhalen.
Ik kan me alleen voorstellen dat ze met die Jezus op weg gaan als ze hem al een aantal keren gehoord hebben, en als ze geboeid geraakt zijn door wat hij te zeggen had. Geen liefde op het eerste gezicht maar zich aangesproken voelen door zijn boodschap. Op verschillende plaatsen vind je teksten als: hij sprak anders dan de andere predikers, hij sprak met gezag.
De boodschap die hij bracht zit ook verwoord in wat hij tot zijn nieuwe helpers zei: ik zal maken dat jullie vissers van mensen worden. Daarbij moeten we niet denken aan zieltjes winnen, zoveel mogelijk mensen binnen halen in je netten. Maar het gaat hier om mensen opvissen, mensen naar boven halen, mensen die dreigen te verzuipen in een zee van hun ziekte, van hun narigheid. Het gaat hier om levens redden van mensen die dreigen te vergaan in de woelige zee waarin hun leven terecht gekomen is. Het gaat hier om mensen oppikken die schipbreuk geleden hebben in de samenleving en hun nieuwe kansen geven op een goed bestaan. Die dingen heeft Jezus heel concreet gedaan.
Dat is zijn boodschap, dat is ook onze roeping. Ook tegen ons zegt hij: kom volg mij en wees vissers van mensen. En durven wij juist als die eerste apostelen die keuze te maken: uit ons bootje te stappen en nieuwe onbekende wegen te gaan, of is het; blijven zitten waar je zit en verroer je niet. Toen wij gedoopt zijn, hebben we gezegd: we willen met die Jezus in zee. Nu ja, wij hebben zelf toen natuurlijk niets gezegd, misschien alleen maar heel hard gehuild. We wisten toen niet wat er gebeurde, wat het betekende. Onze ouders hebben toen voor ons gekozen, maar we hebben die keuze van onze ouders later overgenomen, en dus staan we voor de opdracht om vissers van mensen te zijn, om zorg te hebben voor medemensen die het moeilijk hebben.
Maar we kunnen ook nu die keuze alleen maken en waar maken in ons leven als die Jezus van toen ook ons boeit met zijn boodschap, als we de zin en de waarde ervan inzien. En kinderen zullen zich alleen dan door die boodschap aangesproken voelen als ze mensen om zich heen zien door wie die boodschap ook daadwerkelijk beleefd wordt en de mensen die zij zien, zijn wij.