6 e zondag door het jaar B

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
Jezus geneest ook de melaatsen. De onreinen bij uitstek worden weer gereinigd. De levende doden worden weer gezond. De uitgestotenen worden weer in de kring geplaatst. Ook hierin is Hij Heiland, maakt Hij alles weer heel, brengt de mens terug in de goede sfeer van het leven, Gods eerste heerlijke gave en zegen. Ook hier toont Jezus zich de Messias, die God en de mensen verzoent.

De melaatsheid was een vreselijke ziekte. Ze was voor Israël ongeneeslijk. Ze was een bedreiging. De melaatse besmette de anderen en moest 'apart wonen Hij was een levende dode. Hij moest zich gedragen als iemand in de rouw, 'in gescheurde kleren lopen en zijn haren los laten hangen; zijn snor bedekken en roepen: onrein, onrein'! Door zich zo te kleden en te gedragen, maakte de melaatse zich ook onkenbaar. Hij ontsnapte zo aan de onreine geesten, die niet meer langs de neus en de mond in hem konden binnendringen. Hij was zo voor de dood een minder gemakkelijke prooi. Israël stond machteloos daar tegenover.

Zo een melaatse was het, die buiten stad en dorp moest blijven, die bij Jezus kwam, 'op zijn knieën viel en Hem smeekte: ‘Als Gij wilt kunt Gij mij reinigen'. Hij overtrad de Wet en nam zijn toevlucht tot de Wetgever. Hij was ten dode opgeschreven en kwam tot de Heer van alle leven. Hij was onrein en kwam tot de geheel Zuivere. Hij was een zondaar en viel op zijn knieën voor de Heilige Gods. Zijn roep: 'onrein, onrein' !, was geen waarschuwing meer, maar was een roep om hulp geworden en een bekentenis.

Jezus ook overtreedt de Wet. Of beter, Hij vervult hem. Hij gehoorzaamt aan de wet van de liefde. 'Door medelijden bewogen stak Hij de hand uit, raakte hem aan en sprak tot hem: ‘Ik wil, word rein'.
Jezus herstelt het contact met de melaatse. Niet opdat rein en onrein zouden samen bestaan, maar om het onreine te reinigen, het zieke te genezen, het zondige te heiligen. Hij herstelt de schepping van vóór de zonde en vóór de Wet. Hij herstelt de harmonie tussen God en de mensen. Alles is weer één. Vroeger was alles zorgvuldig gescheiden. De wet op melaatsheid, huidziekten en uitslag was tot in de puntjes geregeld. Zelfs voor muffe plekken op kleren, stoffen, vlechtwerken en leer, tot voor de schimmel op de muren toe, waren voorzieningen, controles, inspecties, riten en offers door de priesters bepaald. Wat onrein was, betekende gevaar voor het gezonde leven, aantasting van de zuivere, heilige sfeer, waar de mensen in Israëls gemeenschap hun God konden dienen. Al het onreine moest verwijderd worden, afgezonderd, zonodig vernietigd. De dood mocht geen greep krijgen op het leven. De melaatse moest afgezonderd de dood afwachten. Gebeurlijke genezing moest door de priester vastgesteld worden, en bevestigd door een offer van dankbaarheid.
De genezen melaatse nam dan weer zijn plaats in voor God in de cultus en tussen de mensen in het dagelijks leven.

Jezus schokt zijn wereld van priesters en offers, van wetten en voorschriften, maar dieper dan dat, van machteloosheid. De Joden kunnen het kwaad niet aan. Ze staan machteloos tegenover de ziekte, de smet, de dood. Ziekte en melaatsheid gehoorzamen aan Jezus, zoals de wind en de zee Hem zullen gehoorzamen. Ook wanneer Hij geneest en zonden vergeeft, is de vraag bij allen levend: 'Wie is Hij toch', dat alles Hem gehoorzaamt, zee en wind, ziekte en dood?

De vraag zal tot op heden niemand meer loslaten. Zoals zij in het Evangelie van Marcus steeds klemmender wordt, zo wordt zij klemmender in het leven van iedereen. Het leven van elke mens is antwoorden op deze vraag. Het leven van elke christen is leven volgens het antwoord. Hij is dé Zoon van God, die alle ziekte, schuld en dood overwint, tegenover wie iedereen die Hem zoekt, niet anders kan als roepen: 'onrein, onrein!', en na genezing 'zijn verhaal overal in het openbaar vertellen'.