Witte Donderdag 2006

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 419 niet laden

De apenrots. U weet: die hebben ze in Artis. Het is daar een van de grootste attracties. We zeggen altijd: Het zijn net mensen, die apen. Ze eten en ze dutten. Ze zitten elkaar achterna en ze friemelen aan elkaar. Ze brullen, ze laten zich gelden en ze worden geïntimideerd: angstig duiken ze weg met het kopje tussen de armen. Het is een sociaal systeem die apenrots en wel: een hiërarchisch systeem. Dat betekent: Eén is er de baas, het "dominante mannetje" zoals dat wordt genoemd. Hij is de top van de sociale ladder. En helemaal onderaan heb je de apen die er eigenlijk niet bijhoren en die slechts geduld worden. Zij staan op de laagste trede van de "pikorde" - om een term te gebruiken, aan de dierenwereld ontleend, namelijk die van het kippenhok. Onderaan in de pikorde heb je de outcasts, de verschoppelingen die de slagen krijgen. Alle andere apen of kippen zitten ertussenin, tussen de top en de bodem van het sociale systeem ín. De gave en felle exemplaren die in de smaak vallen bij 't dominante mannetje doen 't goed, die zitten "hoog in de boom" zeg maar. De exemplaren van de soort "waar wat mee is", die een gebrek hebben, die wat slomer zijn en/of die uit de gratie zijn bij het dominante mannetje die hebben 't nakijken. Die hebben minder te eten, die mogen misschien niet paren en die zijn "de bonte hond" waarop de frustratie en de agressie van de hele groep wordt botgevierd. Zó gaat het bij de apen. Zo gaat het bij de kippen. En zo kan het ook gaan bij de mensen ...

Gisteravond vierden wij zoals altijd op de woensdagavond ik de Goede Week in de Sint-Bavokathedraal te Haarlem de chrismamis oftewel de mis van de oliewijding. Het hele bisdom is dan symbolisch verenigd rond de bisschop die in ons midden Christus zelf vertegenwoordigt. De bisschop, geheel in 't goud, met mijter en staf, een indrukwekkende verschijning. En dan, eveneens in 't goud maar met een wítte mijter: de apostolisch nuntius (dat is de ambassadeur van de paus in Nederland) en de hulpbisschop. Vervolgens, ongemijterd maar wèl in 't goud: de vicaris-generaal. Verder op 't priesterkoor, dichtbij de bisschop, allen in kazuifel: de vicarissen en de dekens, de rector van het seminarie en de plebaan (dat is: de pastoor van de kathedraal). Niet op het priesterkoor maar in een apart vak en gekleed in albe met stola: de gewone priesters (waaronder pastor Lokkerbol en uw pastoor) en de diakens. En dan natuurlijk in de hele rest van de kerk: het volk (waaronder gisteravond ook drie van onze geloofsleerlingen en twee van hun katechisten die voor ons de heilige oliën meegenomen hebben waarmee de dopelingen, de vormelingen, de zieken en de geloofsleerlingen zelf gezalfd worden ...) Het is altijd een indrukwekkende viering. De kathedrale koorschool zingt de sterren van de hemel. En de bisschop had een bevlogen preek over God die van ieder mens zonder onderscheid geweldig houdt en die als een Vader verlangend uitziet naar onze wederliefde; -dat wij ook op Hém, op Gód gericht zijn of ons tot Hem bekeren. En hij had het over de eenheid van de Kerk en over de geweldige uitdaging, mogelijkheden en kansen die de Kerk in deze tijd hééft.

Zoals gezegd: een indrukwekkend gebeuren, liturgie van grote schoonheid. Maar pastor Lokkerbol en ik kwamen in de auto op wég naar het gebeuren er ook achter dat we er bij voorbaat allebei ook wat recalcitrant van werden ... Waarom? Ik denk: omdat in de chrismamis wèl de harmonie en eenheid van de Kerk, van het volk Gods verenigd rond Christus, gesymboliséérd worden, verbééld worden en natuurlijk in zekere zin ook wérkelijkheid worden, want iedereen is van goede wil en de liturgie tilt ons óp ... maar van de andere kant gaat onder de oppervlakte van kerkelijke peis en vree natuurlijk ook een kluwen van ingewikkelde inter-menselijke relaties schuil dat soms best enigszins doet denken aan wat we zien op de apenrots, in het kippenhok, om niet te zeggen: in de slangenkuil. Niets menselijks (om niet te zeggen: dierlijks) is ook de mensen in en van de kerk helaas vreemd. IJdelheid en geldingsdrang, irritaties en stekeligheden, antipathie, gevoelloosheid, kwaadsprekerij, ongeduld en allerlei andere zondes, het is in óók in de kerk volop te vinden. Verschillende keren tijdens de viering gisteravond werden door de plebaan de kwaliteiten en zegeningen van de kathedraal brééd uitgemeten. Op een gegeven moment mompelde ik tegen mijn buurman, óók een Amsterdamse parochie-priester, ik mompelde: "Alweer kathedraal-promotie!" En toen zei hij, enigszins verontwaardigd: "Dat zou jij toch ook doen! Dat doe jij toch ook met de Vredeskerk! De kathedraal van zuid!" Ja, daar had ik niet van terug ... Dat soort dingen bedoel ik dus mensen ... Mensen kunnen het elkaar moeilijk maken, óók in de kerk. Soms zou je ervoor weg willen vluchten, voor wie jezelf bent en voor wie de anderen zijn weg willen vluchten. Dan denk ik: Ik ga net als Benoît/Benedictus Labre door Europa zwerven ... Iedereen die daar aanwezig was in de kathedraal gisteravond en zéker de kerkelijke professionals, de pastoraal werkenden, vroeg zich natuurlijk meer of minder bewust af: Waar stá ik binnen dit geheel? Welke plaats neem ik in binnen dit geheel? Hoe belangrijk of onbelangrijk ben ik? Hoor ik bij de kerngroep hier? Of is mijn plaats eerder in de marge? Wat vinden de anderen hier van mij? Hoe kijken zij naar mij? En omgekeerd: hoe kijk ik naar de anderen? Wat vínd ik van dit hele gebeuren en van de verschillende mensen hier, van mijn collega's bijvoorbeeld? Wie ben ik? En wie ben ik hier? En klopt dat met wie en wat ik wil zijn binnen de kerk? - binnen de kerk die nu eenmaal míjn professionele context is. Maar ik denk: de genoemde vragen stellen zich altijd en overal, binnen welk verband van mensen ook, in élke werksfeer en in élke familie- of vriendenkring. Wie ben ik? Wie en wat wil ik zijn, wil ik betekenen? Wie zijn de anderen voor mij?

Omdat 't over het geloof gaat ligt 't in de kerk allemaal heel gevoelig en subtiel. Je vraagt je af, ík vroeg mij althans af gisteren in de kathedraal: Hoe oprecht is het allemaal? Hoe gelovig en vroom zijn deze mensen (van wie ik er één ben) werkelijk? In hoeverre is wat de mensen hier laten zien misschien óók om een vrome en gelovige índruk te maken, om te passen in het plaatje zeg maar? Op de receptie van de bisschop voor het pastorale personeel na afloop van de viering was er gisteravond wijn. Grote glazen met fonkelende rode wijn. Wijn in de vastentijd! In de Goede Week! Bij de bisschop! Zal ik die wijn nu drinken of niet? Moet ik, kan ik mijn vasten-principes volhouden als de bisschop in persoon mij bij wijze van spreken uitdaagt om ze los te laten? Of word ik hier juist op de proef gesteld en is het zijn verlangen dat ik juist níet zou drinken? Wat wil de bisschop? Wat wil ik zelf? Wat wil God van mij? En wat doen mijn collega's? - Ik moet U bekennen, veelgeliefden: Ik ben voor de bijl gegaan! Pastor Valkering, die zich in eigen parochie geroepen voelt om de vasten te vuur en te zwaard bijna hoog te houden is buitengaats, bij de bisschop, gevallen ... Na afloop van deze Witte Donderdag-viering zult U overigens voor hetzelfde dilemma geplaatst worden, want ook dán zal er wijn zijn, om te vieren namelijk, bij alle duisternis en dramatiek, dat op deze avond tòch de heilige eucharistie is ingesteld - wat hoe dan ook bron van vreugde en dankbaarheid is ...

Op deze Witte Donderdag-avond kijken wij met elkaar terug naar het begin van de Kerk. Die wordt geboren omdat Jezus Christus Zichzelf voor haar, voor de Kerk, ook voor ons dus, gééft, omdat Hij Zichzelf overlevert. Dat gebeurt morgen op Goede Vrijdag in Jezus' kruisdood. Hangend aan het kruis wordt Zijn zijde doorstoken. Water en bloed vloeien eruit. Vanouds heeft de Kerk daarin gezien: het ontspringen van de levenwekkende stroom van de sacramenten. In die sacramenten, in het doopsel en in de eucharistie op de eerste plaats ontvangen wij de vruchten van Jezus' kruisdood. De eucharistie, waarvan we in deze viering de instelling gedenken, vieren en opnieuw beleven verwíjst naar Jezus' kruisdood. Die dood is een dood uit liefde. Hij wil er ons Zijn liefde in meedelen. Hetzelfde gebeurt in de Eucharistie. En in de voetwassing die in deze viering wordt verricht, maakt Jezus diezelfde liefde die Hij ons toedraagt op nog weer een ándere manier duidelijk. Johannes is de enige evangelist die verhaalt van deze voetwassing. En bij Johannes ontbreekt de instelling van de eucharistie zoals we die vinden bij de andere evangelisten. In plaats daarván komt bij hem de voetwassing. Op die manier maakt Johannes duidelijk wat de eucharistie betekent. Dat is: jouw eigen leven ten dienste stellen van dat van anderen. Dat is dus geen eenvoudige zaak. We komen wat dat betreft in onszelf en bij anderen allerlei hindernissen tegen. Want de anderen kunnen ons tegenstaan en wat zij ons eventueel verlangen te geven, dat willen wij hen misschien niet laten doen - uit angst misschien dat er iets voor wordt terugverlangd, dat we dan zelf óók over de brug zouden moeten komen. Want: vóór wat hóórt wat. Dus we houden 't liever in eigen hand. We houden liever zelf greep op ons eigen leven. We blijven liever zelfstandig en onafhankelijk. Maar ik denk: voor en bij Jezus werkt 't zo niet. Hij geeft zichzelf aan ons zonder er iets voor terug te eisen. Maar misschien dat zijn voorbeeld ons zou kunnen inspireren en enthousiasmeren om óók onszelf te geven, meer en meer misschien, aan de kerk, aan de wereld, aan de mensen ... ? Bij Jezus is het dus niet per se "voor wat hoort wat". Hij geeft zichzelf met 't risico dat we laten liggen wat Hij ons aanbiedt, dat we er niets of: te weinig, mee doen. Jezus is daartoe alleen in staat omdat Hij zich geroepen en gedragen wéét door God, door de Vader. Al Zijn leerlingen gaan voor de bijl. In de hof van Gethsemane waar Jezus in doodsnood is, vallen ze allemaal in slaap. Ze zijn niet in staat om, zoals Hij het hen expliciet vraagt, ook maar één uur met Hem te waken. Deze komende nacht zullen wij in deze kerk ook een poging doen om te beantwoorden aan het verzoek van de Heer. In de komende "nacht van het lijden" zal onze kerk de hele nacht open zijn, maar gezien de ervaring van Jezus' eerste apostelen moeten we de verwachtingen omtrent onszelf maar niet te hoog stellen. Mensen kunnen gemakkelijk tegenvallen, zelfs de mensen van de kerk. Of ja, juíst van mensen van de kerk kan het zo opvallend zijn en zo schrijnend zijn dát ze tegenvallen en áls ze tegenvallen - omdat de verwachtingen zo groot en hooggespannen kunnen zijn. Ik zal U zeggen: van die illusie zult U dus vroeg of laat wel beroofd worden als U die illusie hebt. Als je mensen op een voetstuk plaatst, dan is de kans groot dat ze daar vroeg of laat vanaf donderen. En voor de kerkgemeenschap geldt: Soms zie je door de mooie buitenkant héén de apenrots. Ooit hoorde ik een kort in het duits gesteld versje dat ik sindsdien altijd heb onthouden:

                   Du, armer Mensch, du bist so klein.  Die erste Schritte gehen Vater und Mutter mit,            die letzte gehst du allein.

In vertaling:  Jij, arme mens, wat ben je klein.

                   De eerste stapjes lopen papa en mama mee,

                   maar de laatste die loop je alléén.

Zo is 't mensen. Mensen kunnen je een eindweegs vergezellen in het leven, ze kunnen je soms een beetje of een beetje veel steun geven. Ja, ook dat komt voor, ook dat maken mensen mee. Ook binnen de kerk! Gelukkig wel. Maar je hebt nergens recht op en je kunt nergens op rekenen. Het is allemaal genade wat je ten deel valt wat dat betreft. Ieder mens wordt ook altijd weer geconfronteerd met een stuk eenzaamheid en met moeilijke dingen in 't leven die geen mens voor je kan overnemen. We zien het in deze nacht en morgen met Jezus zelf gebeuren. Juist voor die omstandigheden is de godsdienstoefening van deze nacht bedoeld. Dáárom worden we uitgedaagd om met hoofd en hart toch de Heer te blijven zoeken, juist in zijn verlatenheid en doodsnood. Omdat Hij ook en juist in die omstandigheden, toen er geen mens meer was op wie Hij kon bouwen en die Hem kon redden, zich is blijven richten op God, op de Vader. En dat gericht zijn van Jezus op God (ook al kwam er van God geen antwoord, ook al zweeg God) dát heeft Jezus gered en dat kan ook ons redden. De polsstok van onze eigen kwaliteiten reikt niet ver genoeg om de overkant te bereiken. Vertrouwen op de morele perfectie of grootheid van jezelf en van de andere mensen, daarmee red je het niet. Alleen God kan ons redden, door Jezus Christus onze Heer. Ik wens ons allen een goede viering