Witte Donderdag (2006)

De maaltijd is begonnen. Iedereen zit aan tafel. Jezus zal nog maar een aantal uren leven.
Hij staart over onze hoofden de verte in, de glimlach van Palmzondag nog om de lippen.
We kijken naar wat Hij ziet, zien de wereld door zijn ogen, al wat mensen elkaar aandoen.
het geweld in de steden, het verdriet in de straten.
Over de tafel van het avondmaal staart Hij de wereld in, zijn wereld.
En wij vragen ons met Hem af: Hoe kunnen mooie doelen in iemands leven zoveel weerstand, hoe kan zachtmoedigheid zoveel agressie oproepen?
Hoe kunnen woorden van liefde in Godsnaam zoveel haat teweeg brengen? Kan al dit roepen om leven zó de dood opwekken? Je kunt je kennelijk je eigen ondergang preken. Het is waar: zijn woord snijdt als een mes, zijn barmhartige liefde werkt als een oordeel.
Je kunt ook wel eens tevéél gelijk hebben. Hoop, leven, adem, stroming, waarheid, het wekt allemaal irritatie.

Judas is misschien de enige die dat ronduit durft te zeggen.
En hij heeft het geweten. Veel vrienden heeft Jezus niet meer. Wij zijn vanavond rond deze tafel
nog maar met een klein groepje getrouwen. En toch zullen ook wij Hem laten vallen.
Wie had dat ooit gedacht.Hij zál vallen, met tranen in zijn ogen.
Ze zullen Hem gevangen nemen en wij zullen allemaal op de vlucht slaan.
Ze zullen ons nog vragen: Ken je Hem? Hoor je ook bij Hem?

En wij zullen zeggen: Nee, nooit van gehoord. En dan zullen we in huilen uitbarsten.
Hij zal dood gaan en wij zeggen gewoon dat we Hem niet hebben gekend.
Als dat niet tragisch is! Toch zal het zó gaan. Maar zie, opeens staat Hij op van tafel.
Hij wil deze laatste uren gebruiken om nog eens duidelijk te maken wat de betekenis is
van zijn hele leven, inclusief Zijn terechtstelling.
Hij staat op en begint ons nota bene de voeten te wassen.
Te gek voor woorden. Iemand de voeten wassen, dat is het werk voor de allerlaagste.
En dat gaat Hij als rabbi doen, dat slavenwerk. We zijn verbijsterd.

En dat is kennelijk ook zijn bedoeling. Want Hij wil ons hiermee zijn testament nalaten,
een paar tekens, die niet mis te verstaan zijn.
We moeten elkaar de voeten wassen en brood en wijn met elkaar delen en daarbij zeggen: dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed, het uiterste wat ik te geven heb. Hij staat op van tafel en doet wat Hij gezegd heeft: "Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen".
Zijn godsdienst bestaat uit daden van dienstbaarheid. Je verantwoordelijk weten voor het welzijn van de ander. Je daarvoor inzetten. Hij is hiermee gewoon trouw aan zijn beeld van de Eeuwige
en trouw aan zijn eigen levensvisie. Zijn deel van God laten zien in de wereld, dat is is voor Hem:
net zo trouw blijven aan elke mens als de Eeuwige zelf.
En net zo opkomen voor de kleine, de arme. Met de dreiging van de dood voor ogen wil Hij ons, hier vanavond, nog eens op het hart drukken wat Hij ten diepste gelooft: dat er voor God geen heren en knechten zijn, alleen broers en zussen.

De dienst aan elkaar en de onderlinge solidariteit zijn kern en criterium van werkelijke christelijke godsdienst, ijkpunt van echt geloof. En om datzelfde nog eens op een andere manier duidelijk te maken zet Hij na het slavenwerk zich weer aan tafel.
Vóór Hem staat brood en beker.
Brood bereid uit de korrel, gestrooid in de aarde, vergaan in de grond. Maar er is nieuw leven uit opgeschoten. Brood als het mensenleven is het, met pijn en moeite gezaaid, gemaaid, geoogst en met zorg bereid. Brood waarin met elkaar wordt gebroken en gedeeld de moeite die wij doen, de zorg die wij kennen, het geluk dat we smaken, hart en ziel van ons bestaan.
En de beker, het aloude symbool van het leven dat ons mensen van Godswege gegeven wordt.
Ieder van ons wordt in het leven een beker gegeven, een beker lief en leed, heil en onheil,
een beker vol idealen, dromen, visioenen, een beker twijfel en geloof, gaven en opgaven,
een beker met wat je heilig is, wie en wat je eren wilt. Iedere mens wordt in het leven
een beker tot de bodem toe te drinken gegeven.

Met dat brood en die beker zit Hij daar aan tafel, zich bewust van zijn komende dood.
En wij zitten om Hem heen en hebben geen woorden. Wat moeten we met dit moment?
Maar Hij neemt dat brood, dat hier staat voor zijn eigen bestaan in levende lijve,
Hij breekt het en zegt: Mijn lichaam is dit. Neemt, eet. Hiermee deel Ik met jullie mijn hele bestaan.
Over zielsverbondenheid gaat dit, realis presentia: mystieke verbondenheid,
Hij in ons en wij in Hem.

En de beker van zijn bloedeigen leven schenkt Hij weg aan ons: Neemt en drinkt allen daaruit.
Zo moeten jullie zijn, Zo moeten jullie mij volgen, wil Hij zeggen.
Begrijp je wat ik jullie heb voorgedaan? Dat je met Mij verbonden moet blijven en samen met Mij je leven moet wegschenken in dienstbaarheid?
We zitten met tranen in onze ogen naar Hem te kijken. Dit eenvoudige gebaar Iaat Hij ons na
als een herkenningsteken. Wij vormen met Hem een nieuwe gemeenschap.
En van nu af aan moeten we bij elkaar komen, het brood breken, de beker delen om nooit de dienstbare liefde te vergeten die Hij heeft laten zien.
Om goed te weten ook wat ons op ónze beurt te doen staat. Tegenover alle onderdrukking en oorlog,
alle misbruik van macht, alle zorg voor eigen ego, stelt hij vanavond de creatieve gebaren
van de voetwassing en je brood breken en je beker delen.

Morgen zal Hij laten zien hoezeer Hij dat meent, als hij zijn schouders zet onder het kruis dat hem wordt opgelegd. Dan zal Hij inderdaad doen wat hij zegt. We zullen samen met Hem nog een psalm zingen. En dan zal Hij straks de stad achter zich laten. Hij zal al zijn woorden uit doen als een jas
en de stilte van God zoeken, alleen. En in de stilte zal de angst binnensluipen, ja, ook bij Hem zal dat zo gaan.

Nog één nacht slapen, één nacht waken..... Zo was dat op die avond, deze avond.
Zo is het nu en altijd. Een uit onze kring is Hij. Hem bezingen wij.