2e zondag door het jaar C - 2001

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 205 niet laden

Broeders en zusters,

Vandaag wil ik met u het verhaal van de bruiloft van Kana regel voor regel uitdiepen.
Houdt u de tekst er maar bij.

Het is het begin van hoofdstuk 2. In hoofdstuk 1 stond de hymne over de menswording van God in Jezus, het getuigenis van Johannes de Doper dat Jezus de Zoon van God is. Vervolgens de roeping door Jezus van de eerste leerlingen. Het is dus helemaal aan het begin van het openbare leven van Jezus. Hoe weten ze dat Jezus de Zoon van God is? Er is nog geen bewijs. Alleen maar een getuigenis.
Dan begint dit tweede hoofdstuk.

Helaas zijn de eerste woorden van dit hoofdstuk niet in de lezing opgenomen maar vervangen door de woorden "in die tijd". Eigenlijk staat er: "Op de derde dag was er een bruiloft". Op de derde dag is in het jonge christendom een herinnering aan Jezus' verrijzenis uit de dood op de 3e dag. Hier staat Jezus op uit de stilte en de onbekendheid.

Opvallend is vervolgens dat Jezus niet het eerst vermeld wordt, maar de moeder van Jezus. Zij speelt een hoofdrol in het leven van Jezus. Ze heeft Jezus niet alleen ter wereld gebracht als een soort draagmoeder, maar speelt vaak een bemiddelingsrol tussen de mensen en Jezus. Maria is mens geweest zoals wij en kent dus al onze zorgen, angsten, verdriet en onzekerheid als geen ander. Maria kan daarom middelares zijn tussen ons en haar Zoon. Ik kom daar straks op terug.

Daarna wordt dus pas vermeld dat Jezus er ook was, evenals de leerlingen die hij net verzameld had. Het wordt hun eerste ervaring met Jezus.
Jezus is op de bruiloft uitgenodigd. Het was niet door Hem georganiseerd. Mensen vieren feest en nodigen Jezus er bij uit. Dat is goed. Het is goed in alle omstandigheden Jezus uit te nodigen en te vragen er bij te zijn.

Jezus is dus uitgenodigd op een bruiloft. Later vertelt Jezus een verhaal over een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. Velen waren uitgenodigd, maar toen de maaltijd klaar was en alles gereed was voor de bruiloft, wilden de genodigden niet komen. Die parabel gaat over het Rijk Gods. Bij de bruiloft van Kana hebben mensen Jezus uitgenodigd, maar later wordt het omgekeerd. Jezus nodigt ons uit mee te werken aan zijn Rijk. Maar dan geven we vaak niet thuis. Dan hebben we onze eigen feesten en partijen. Dan gaan onze aardse zaken voor. We weten God wel te vinden als we in nood zijn, of om zijn zegen te krijgen over onze eigen plannen, maar zijn wij ook beschikbaar voor Gods plannen?

We gaan terug naar het evangelie: de wijn raakte op. Wie heeft het in de gaten? Maria. Zij kent de nood van de mensen. Daarom kunnen we in nood eerst tot Maria bidden. Maria gaat voor ons pleiten bij Jezus.
Ik moet daarbij altijd terugdenken aan een voorval in mijn jeugd. Ik had van mijn vader straf gekregen en was naar bed gestuurd. Mijn moeder kwam naar de slaapkamer en vroeg waarom ik zo huilde. Ik antwoordde dat mijn vader boos was. Ze zei: "Dan moet je je excuses aanbieden". Ik zei: "Dat kan ik niet, want ik mag niet meer bij hem komen". "Nou, zei mijn moeder, dan zal ik je excuses wel overbrengen". Even later was ze terug. Mijn vader die veel van mijn moeder hield, kon haar verzoek natuurlijk niet weigeren. Ik mocht weer beneden in de huiskamer komen. Mijn schuld en straf werden vergeven. Dankzij mijn moeder.

Zo is Maria onze middelares bij God. Daarom zeggen we in het Wees Gegroet: "Maria, bid voor ons zondaars".
Jezus wijst Maria's verzoek in eerste instantie af. "Vrouw, is dat soms uw zaak? Nog is mijn uur niet gekomen". Jezus wil niet dat Maria Hem als een moeder blijft bevoogden. Maria moet leren dat ze niet meer boven haar Zoon staat. Die is nu volwassen geworden en wil alleen maar de wil van God doen. Het is niet voor het eerst dat Maria dat te horen krijgt. Toen Jezus als 12-jarige zoek was geraakt in de tempel had Hij ook resoluut gezegd: "Wat hebben jullie toch naar mij gezocht? Wisten jullie dan niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?" Maar daarna was Hij met hen mee gegaan en was aan hen onderdanig gebleven. Maar nu is dat definitief voorbij. Hij wil de weg van God gaan. Hij is geen kind meer van zijn aardse ouders, maar van zijn hemelse Vader.

Maria laat zich niet uit het veld slaan. Beter gezegd: ze zet die stap om haar moederschap los te laten. Ze zet de stap om als gelovige te handelen. Ze beveelt Jezus niets, maar zegt tot de bedienden: "Doet maar wat Hij u zeggen zal". Dat is nu precies de voorbeeldige juiste houding van de christen: doen wat God ons zal zeggen. Maria getuigt van een grenzeloos vertrouwen in Jezus als Zoon van God.
Dat vertrouwen kan en wil Jezus niet beschamen. Hoewel Hij de tijd nog niet gekomen achtte, doet Hij toch zijn eerste wonder.

Overigens doet Hij dat wonder niet zonder medewerking van de mensen. De knechten moeten eerst de kruiken met water vullen. Wij moeten ons deel doen. Als wij ons niet inzetten voor het Rijk Gods, gebeuren er geen wonderen. Jezus vormt het aardse om in het goddelijke.

Inmiddels zijn in het verhaal de rollen omgekeerd. Jezus is hoofdrolspeler geworden. Hij redt het feest. Als we Jezus de eerste plaats geven in ons leven dan komt alles goed.

Tenslotte daalde Jezus af naar Kafarnaüm. Daar was Hij gaan wonen. Daar gaat het gewone leven verder, met zijn familie en leerlingen. Hoogtepunten, feesten, duren maar even. Maar ze geven wel de kracht om ook de plichten van het gewone leven vol te houden. Het is goed feesten te vieren, maar laten we nooit vergeten Jezus daarbij uit te nodigen. Dan zal Hij het feest van het leven redden.

Suggesties voor een gezinsviering

1. Wie is er dit jaar jarig? Wat vier je dan? Hoe vier je het?
2. Wat wordt er gevierd bij een bruiloft?
3. Waarom vieren mensen dat in de kerk?
4. De bruiloft van Kana: wie waren er?
5. De wijn was op: het feest leek over. Wie ziet het?
6. Gesprek tussen Jezus en Maria
7. Mijn ervaring als jongen.
8. Doet maar wat Hij u zeggen zal: we moeten altijd doen wat God ons zegt.
9. Verhaal van het dorpsfeest met de ton, dat in het water viel.

Mopje aan het eind:

Een grote prijs in de loterij kan soms bij arme mensen als een geschenk uit de hemel komen. Iemand had een grenzeloos vertrouwen in Gods wondermacht. Maar financieel had hij het niet zo best. Hij hoopte op een wonder, maar het gebeurde niet. Op een avond beklaagde hij zich bij God. In zijn avondgebed zei hij: Waarom win ik nu nooit eens een miljoen in de loterij? Toen klonk er een stem: "Ik kan je niet laten winnen, want je koopt nooit een lot".
Wij moeten ons deel doen. Wij moeten het water inschenken. Wij moeten doen wat God ons zegt. Dan pas kunnen er wonderen gebeuren.