In deze mistige, kille novemberdagen, wanneer de blaadjes van de bomen vallen, worden we met de gedachten bijna als vanzelf gebracht bij onze sterfelijkheid en bij onze lieve en ook bij onze minder lieve doden.
Je staat er nadrukkelijker bij stil, méér waarschijnlijk dan normaal: Je denkt misschien aan een vader die al drieënveertig jaar dood is, je was toen zelf nog zo jong.
Misschien steek je nog altijd een kaarsje voor hem aan. Want hij blijft toch je vader, jóuw vader.
Of je denkt aan je partner van wie je het voorbije jaar afscheid hebt moeten nemen, misschien heel plots of na een lange periode van ziekte en verzorging. Of je denkt aan Haïti, na de aardbeving vorig jaar weer getroffen door een cholera-epidemie.

Jonge doden, "verse" doden, en oude doden, doden van dichtbij, die we hier kenden in de kerk bijvoorbeeld, doden veraf.
Mensen vallen, mensen sterven - zoals de blaadjes. Je kunt er gemakkelijk weemoedig en treurig van worden.
Hier in de kerk echter, lieve mensen, is er echter nog een ander verhaal als dat van de blaadjes.
Twee verhalen zijn er zelfs vandaag.
Twee passages uit de Heilige Schrift, uit de bijbel hoorden wij. En die twee passages verwoorden op een eigen manier goed nieuws óver en voor onze lieve doden én ook voor ons.

In de evangelietekst uit het Lucas-evangelie is er "op de eerste dag van de week" dat verbijsterende gegeven: de steen is weggerold van het graf, Jezus' lichaam is verdwenen en er zijn twee mannen in stralend witte kleren die vragen: "Waarom zoekt u de levende bij de doden?" en ze berichten: "Hij is niet hier. Hij is tot leven gewekt!"
Kunnen wij dat geloven, lieve mensen?
Kunnen we het geloven van Jezus?
En kunnen we het geloven van onze eigen doden?

In de eerste lezing, uit het boek van de Openbaringen van Johannes, klonk het "Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen, en de dood zal niet meer bestaan; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij." Een stad wordt ons voorgesteld, "de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, dat vanuit God uit de hemel neerdaalt."
"Dit is de woning van God bij de mensen! Hij zal bij hen wonen." Voortdurend valt daarbij in die Openbaringen-lezing het woord "nieuw". "Ik maak alles nieuw" zegt Hij die op de troon zetelt, en: "Schrijf deze woorden op, ze zijn betrouwbaar en waar."

Zou het zo zijn mensen?
Kunnen we ons aan die woorden overgeven?
Ís er, wérkelijk, goed nieuws voor de doden en voor ons? Je snapt daar niets van. Je kunt daar met je hoofd niet bij.
Hoe zou dat dan moeten? Hoe zou dat dan kunnen? Een stad? Een woning?
Ik denk: dat zijn maar beelden die proberen te verbeelden waarover het hier gaat ... Maar het getuigenis van de Schrift is éénsluidend: De dood heeft niet het laatste woord. Er ís iets "voorbij de dood".
Er is léven na de dood. En dan niet in de zin van: "Het leven gaat verder" en "toch wordt het weer lente".
Dat is uiteindelijk níet wat de bijbel bedoelt denk ik.

Wat ze wél bedoelt, dat is: "leven", dat heeft nog een heel ándere dimensie, een dimensie die wij wel kunnen vermoeden en waar we van mogen weten ook, want de bijbel spreekt erover, maar de vínger er op leggen, nee, dat kunnen we niet. "Wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bereid voor wie Hem liefhebben" schrijft de apostel Paulus in zijn eerste brief aan de christenen van Korinthe (2, 14).
Zoiets is het. Zoiets moet het zijn. En het geldt ook voor de doden.
De belofte geldt voor ons én voor hen. God is voorbij datgene wat wíj "dood" en "leven" noemen. Dat onderscheid tussen dood en leven geldt en telt voor God niet. God en wat Hij bereid heeft voor wie Hem liefhebben is van een geheel andere orde dan onze bekende, aardse, sterfelijke orde.

Daarom noemen we straks ook uitdrukkelijk de namen van uw lieve overledenen, omdat ze bij God gekend blijven, ook al zijn ze gestorven. Zelfs wanneer mensen ze zullen vergeten zijn na twee, drie generaties, God zal ze niet vergeten.

met dank aan Pierre Valkering