In Parijs, in de wijk Le Marais, waar veel Joden wonen, bevindt zich het gedenkteken van de Shoah. Een van de onderdelen daarvan is ‘Le Mur des noms', de "Muur met de Namen", een stenen muur, waarop de namen zijn gegraveerd van alle 76.000 Joden, waaronder 11.000 kinderen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog, tussen 1942 en 1944, vanuit Frankrijk zijn gedeporteerd naar de concentratiekampen Auschwitz-Birkenau, Sobibor, Maidanek, Kaunas, en daar zijn vermoord. Zo zijn de namen vereeuwigd van hen die door het moorddadige nazi-regime in dood en vergetelheid werden gestort, dat regime dat probeerde hun namen te wissen, en de slachtoffers daarmee definitief de dood in te sturen.
Op deze "Muur met de Namen" in Parijs mag dan ook geen naam ontbreken. Mocht uit onderzoek in archieven blijken dat er nog een slachtoffer ontdekt worden, dan wordt zijn of haar naam alsnog op de muur bijgeschreven.
Zo belangrijk is het in de Joodse traditie, dat de naam niet wordt vergeten. Wanneer de naam niet meer wordt genoemd, bestaat de persoon ook niet meer. Wie wordt vergeten, leeft niet meer. Wie niet meer voortleeft in de herinnering van de mensen, bestaat niet meer. Een dode is pas echt dood als hij of zij vergeten wordt. Als zijn naam niet meer wordt genoemd. Als zijn naam niemand meer iets zegt.

"Onze naam wordt op den duur vergeten, niemand herinnert zich onze daden nog. Ons leven verdwijnt als nevel, het lost op als mist die door de stralen van de zon wordt verjaagd en door haar warmte verdreven", zo spreekt, - we hoorden het zojuist - de droefgeestige, de cynicus, maar veeleer de goddeloze, de niet-gelovige, die het boek Wijsheid deze woorden in de mond legt (2,4). Het zijn niet de woorden van een Godsgetrouwe mens, het zijn de woorden van een goddeloze, iemand die God niet ziet, die God niet kan zien, die God niet wil zien. De niet-gelovige die beweert: het allemaal maar toeval, na de dood is er niets meer, en daarna is het uit en over. Nee, zegt de Godgetrouwe auteur van het boek Wijsheid, de zielen van de rechtvaardigen zijn in de hand van God.

Aan ons dus, om de namen van onze overledenen niet te vergeten. En daarom zullen, ook in onze traditie, de levenden zich altijd de namen van de overledenen blijven herdenken. Namen worden op onze begraafplaatsen gegraveerd in marmer, in steen, namen worden gedrukt op gedachtenisprentjes, maar namen blijven vooral levend, levendig, in de herinnering van ons, mensen. Onze overledenen dragen wij met ons mee.
Zo lezen wij het hier in deze kerk, in het intentieboek bij de Sterre der Zee, waar alsmaar gebeden klinken voor dierbare overledenen:
- Moedertje, ik denk aan jou.
- Lieve oma, ik hoop dat je heel gelukkig bent hier boven.
- Dag lieve opa en oma, ook hier een mooi plekje om een licht voor jullie op te steken. Jullie worden nog steeds gemist.
- Lieve moeder Maria, laat ons mam nu rust en vrede gevonden hebben. Laat haar nu waken over ons pap, haar kinderen en kleinkinderen. Geef haar de rust die ze verdiende, ze blijft altijd in ons hart. Wij vergeven je, mama. We houden van je.

Onze lieve doden zullen wij nooit vergeten. Er is nog Iemand anders die heeft beloofd dat Hij ons nooit zal vergeten. Iemand, die bij monde van de profeet Jesaja tot ons zegt: "Ik vergeet u nooit ! Zie, in mijn handpalmen heb ik u gegrift" (Jesaja 49,15-16). De Heer zal ons nooit vergeten !
Wij hebben in deze kerk een Middeleeuws Maria-beeld, hier in de zijbeuk, met een bijzondere afbeelding. Maria draagt het Kind Jezus. Jezus heeft een boekje in de hand, en schrijft met een pen namen in Zijn boek. En Maria houdt Hem de inktpot vast. Jezus schrijft de namen in van onze lieve overledenen. Ik denk dat Maria ook Jezus de namen influistert die Jezus in het Boek des Levens moet inschrijven. Dat zal Maria als Moeder zeker doen !
Heer, herinner U de namen ...!
Zoals de dichter het zei:
Heer, herinner U de namen
van hen, die gestorven zijn,
en vergeet niet, dat zij kwamen
langs de straten van de pijn,
langs de wegen van het lijden,
door het woud der eenzaamheid,
naar het dag en nacht verbeide
Vaderhuis, hun toebereid.