Inleiding

De Kerk op aarde is een gemeenschap van gelovigen waarin de verrijzeniskracht van Jezus is doorgebroken, en in de heiligen in de hemel heeft de verrijzeniskracht van Jezus Christus volledig gezegevierd. Maar voor de mensen die nog niet volledig zijn afgestorven aan zichzelf, aan eigen geest, aan eigen kracht en eer, die nog een eigen leven leiden, los van God, daarvoor is het vagevuur, om mensen door beproevingen aan zichzelf te laten afsterven.
Als mensen nog niet volledig zijn afgestorven aan eigen kracht, maken zij een loutering door. Dat kan hier op aarde gebeuren, een vagevuur op aarde, waarvan Thomas a Kempis zegt in zijn Navolging: 'Een geduldig mens heeft hier al zijn groot en heilzaam vagevuur. Overkomt hem onrecht, dan treurt hij meer over de boosaardigheid van de ander dan over het onrecht dat hij lijdt. Hij bidt graag voor wie tegen hem zijn en vergeeft van harte alle schuld. Hij draalt niet om anderen excuus te vragen, hij is eerder medelijdend dan geprikkeld. En als dat vagevuur op aarde nog niet het werk gedaan heeft, dan is er nog een vagevuur aan de andere kant van de dood.'
Dát is wat wij nu vieren. Als we de gedachtenis van de overledenen eren, spreken we van 'de Goede Vrijdag' van de herfst. En omdat zij tot de Kerk blijven behoren, wordt er ook altijd voor hen gebeden op voorspraak van de heiligen, want die horen net zo goed bij ons als de levenden en zondaars op aarde. Jezus Christus omvat met zijn verrijzeniskracht hemel en aarde, leven en dood!

Homilie

"Na het lichaam van Jezus van het kruis genomen te hebben, wikkelde Jozef van Arimatea het in een lijkwade, vervolgens legde hij Hem in een graf." Het graf is de laatste rustplaats, de laatste statie, de laatste halte van Jezus. Daarna is Jezus helemaal passiviteit, dan gaat er helemaal niets meer van Hem uit, en dan heeft Hij ook zijn lichaam, net als zijn geest, in de handen van de Vader overgegeven: "Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest." "Nadat Hij dit gezegd had gaf Hij de geest."
Jezus is in het graf een en al overgave aan de actie van de Vader. "In Uw handen beveel Ik mijn geest." Dat is de manier waarop Hij het graf heiligt. Hij wordt neergelegd in een graf waarin nog nooit iemand was neergelegd. Het was een nieuw graf. Dat past bij deze eerste dode van de nieuwe schepping.

Voordat Jezus het graf binnenging, of eigenlijk: binnengedragen werd, waren graven de plaatsen van duivels, van onreine geesten, van eenzaamheid, van onreinheid. Het waren duivelsplaatsen. In de grafspelonken huisde een man die door duivels bezeten was. Sinds geruime tijd droeg hij geen kleren meer en met legioenkracht werd hij in de eenzaamheid gehouden en bij zijn genezing bleek eens te meer hoe het daar een zwijnentroep is, die in de afgrond thuis hoort. De duivels gingen op Jezus' bevel uit de man weg en voeren in de zwijnen, waarop de troep zich van de steile oever in het meer stortte en verdronk (vgl. Mt 8,28-34; Mc 5,1-20; Lc 8,26-33). Voordat Jezus het graf werd binnengedragen, waren de doden aan dit soort krachten overgeleverd. Het graf was een plaats van bederf. Het was niet van zichzelf dat David profeteerde: "Mijn mond jubelt van vreugde, ook mijn lichaam zal rust vinden in hoop, omdat Gij mijn ziel niet over zult laten aan het dodenrijk, uw heilige geen bederf zult laten zien" (Ps 16,8-11; vgl. Hnd 2,26-28). Hij profeteerde over Jezus, want hij heeft het over "uw Heilige." Het was trouwens het lot van alle doden. En ook Petrus zegt in zijn Paaspreek over David: "Mannenbroeders, ik mag wel vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij gestorven en begraven is; - en dus bedorven - wij hebben immers zijn graf bij ons tot op deze dag. Welnu, omdat hij een profeet was en wist dat God hem een eed gezworen had, dat hij een van zijn nakomelingen op zijn troon zou doen zetelen, zei hij met een blik in de toekomst, over de verrijzenis van de Christus, dat Hij niet is overgelaten aan het dodenrijk en dat Zijn lichaam het bederf niet heeft gezien. Deze Jezus heeft God doen verrijzen en daarvan zijn wij allen getuigen" (Hnd 2,29-33).

Eertijds was dus het graf de plaats van de duivels, van de eenzaamheid, van de Godverlatenheid. Maar sinds Jezus er is binnengegaan, is het graf tot een rustplaats geworden, een plaats van vrede, van verzoening met God, van het nieuwe leven, een actieplaats van God in plaats van een actieplaats van onreine geesten.

"Ze vonden de steen van het graf weggerold, gingen binnen, maar vonden er het lichaam van de Heer Jezus niet." Welke macht is hier bezig geweest? De macht van de duivel? Is het een duivelse truc? De macht van mensen? Hebben zij het lijk geroofd? "Terwijl ze niet wisten wat daarvan te denken, stonden er plotseling - en plotseling betekent dat ze het niet zelf hadden bedacht - twee mannen voor hen in een stralend wit kleed." Het stralende wit is de kleur van de wereld van God, het is goddelijk wit. Daarom "bogen zij het hoofd naar de grond" als voor een goddelijke verschijning. Dat is de vrees, de Godvrezendheid, de geestelijke ruimte waarbinnen het goddelijke Woord kan klinken: "Wat zoekt ge de levende bij de doden? Hij is niet hier, Hij is verrezen." Eigenlijk staat er: Hij is wakker gemaakt. Hij is wakker gekust door zijn Vader. Niet door de macht van de dood, door de macht van de duivel, door de macht van de onvrede en de rusteloosheid, door de macht van het bederf of van de vergankelijkheid, maar door de macht van God, de macht van de liefde.

Voortaan is het graf voor de christen het actieveld van Gods trouw en van Gods liefde. Wij worden in het graf van onze Heer Jezus, in die rustplaats van Hem, gedoopt. Het is een watergraf en in dat graf wordt de paaskaars gedompeld, als een teken van de dood van het oude leven en als teken van het nieuwe leven. Aan het leven, het nieuwe leven, vertrouwen wij onze doden toe. Een rustplaats is het geworden, een slaapplaats. Ze zijn niet dood, ze zijn samen met Jezus één en al ontvankelijkheid voor Gods barmhartigheid.