Het zijn de jaren vijftig van de vorige eeuw. Twee november. Aan de hand van mijn moeder ga ik naar de kerk. Er is geen kerkdienst. Nee, moeder had gezegd: je moet vijf Onzevaders, vijf Weesgegroeten en vijf eer-aan-de-vaders bidden ter intentie van een opa en dan ga je even de kerk uit en kom je weer binnen en doe je hetzelfde maar dan voor oma en daarna voor oom Henny. En als je dat gedaan hebt dan geef ik je nog wel een paar namen. En zo help je met al jouw geloop en bidden die lieve mensen weer een klein beetje meer de hemel in. Pesjoenkelen noemde wij het. Dat woord komt, zo leerde ik later, van het Latijnse woord Portiuncula en dat betekent deurtje. Bij elk kerkbezoek op die dag hielp je familieleden en andere bekenden op hun weg naar de hemel.

Een aantal jaren later bracht ik een tijdje door op een missiepost in Uganda. We trokken de heuvels in om mensen te bezoeken. Bij de meeste hutten stond ook een klein hutje. Dat was de plek waar de gestorven voorouders voelbaar aanwezig waren. We stonden altijd even stil bij zo'n hutje om de herinnering aan hun doden te eerbiedigen.
Weer een paar jaar verder vertoefde ik met mijn gezin op een stralend zonnige middag van Allerzielen op een immens groot kerkhof in een buitenwijk van Madrid. Al wandelend door dit gravenpark - een kerkhof was een veel te kleine naam voor deze oase van groen in de stad - zagen we overal families zitten bij de graven van hun doden, pratend, etend en drinkend. Een middagje uit bij de plek waar ze hun lieve doden neergelegd hadden.
In mijn Twentse geboorte streek zeggen we dat de overledenen uit de tijd zijn gegaan. Uit deze tijd, naar een andere tijd. Naar de tijd van onze herinneringen en naar de tijd van onze toekomst, de eeuwige tijd, Gods tijd. Maar we blijven hun namen gedenken. Uit de tijd, maar niet uit het leven. Bij het noemen van zijn of haar naam komt een mens weer tot leven, zien wij iemand voor ons, met huid en haar. Dan zien wij het gezicht van een man, een vrouw, een kind. Op 2 november noemen wij hun namen, roepen wij hen, alsof we tegen ze zouden willen zeggen: we zijn jullie niet vergeten! Wij noemen jullie namen, omdat wij jullie niet willen vergeten wie jullie voor ons waren en wat wij aan jullie te danken hebben... En wij noemen jullie namen ook in het vaste vertrouwen dat God jullie bij naam zal blijven noemen. Zoals Huub Oosterhuis in een prachtig lied heeft gedicht: ‘een hand zal ons wenken, een stem zal ons roepen: Ik open hemel en aarde en afgrond, en wij zullen horen en wij zullen opstaan en lachen en juichen... én leven!'