Ik ben er nooit geweest, bij het graf van Godfried Bomans. Maar ik las er iets over; iets over wat er op zijn grafsteen staat. Er staat gebeiteld: "Hier ligt een opgewekt man". Een mooie woordspeling. Bomans heeft mooie boeken geschreven, en hij had een vrolijke natuur. Hij was een opgewekt man. Maar hij geloofde ook in de opstanding; hij geloofde dat de Eeuwige hem zou opwekken uit de dood als zijn tijd gekomen zou zijn. Hij was niet bang voor de dood.

Het komt nogal eens voor dat een stervende de omstanders troost. Met name gebeurt dat als hij of zij het gevoel heeft klaar te zijn met het leven; en dat het goed is zo. Of dat het goed is dat er een einde komt aan het lijden. Zelfs bij jonge mensen kan dat het geval zijn. Dat er overgave groeit aan het onherroepelijke einde, en dat er vrede komt. Dan kun en wil je ook de anderen troosten. Hoe anders is het meestal gesteld met degenen die achterblijven. Bij ons dus. Er wordt wel gezegd: bij geboorte en dood zijn er meer engelen in de kamer. Ik versta die uitdrukking zo: bij geboorte en dood worden we tot in het diepst van onze ziel geraakt. We staan oog in oog met iets dat we als heilig ervaren. We voelen bij mensen van wie we houden hoe kwetsbaar en hoe kostbaar hun leven is. Een pasgeborene en een overledene roepen beiden een gevoel van eerbied op. Je wil ze koesteren, je wilt ze verzorgen, je wilt ze aanraken. Bij een pasgeboren kind omdat je het zoveel goedheid toewenst, zoveel liefde, een goede toekomst. En eigenlijk is dat bij een gestorven dierbare net zo. Je hoopt dat hij of zij vrede vindt. Geboorte en dood vervullen ons met liefde, en we kunnen het gevoel hebben dat er meer engelen in de kamer zijn; dat we vervuld worden met een liefde die uit een diepe bron komt, uit een goddelijke bron. En tegelijk worden we vervuld met angst en huiver: de ander is zo kwetsbaar. Wijzelf zijn zo kwetsbaar, zo geraakt. We kijken in een spiegel: we zien in hen hoe we zelf ten diepste zijn: kwetsbare en afhankelijke wezens. Ook wij zijn geboren; en eens zullen wij sterven. Wat is het leven een groots geschenk, en hoe kwetsbaar is het!

In de tijd van Jezus waren er geen mortuaria waar de doden werden opgebaard. Ook zijn dode lichaam werd meteen in doeken gewikkeld en naar een graf gebracht. Dat graf werd nog niet definitief verzegeld. Want het lichaam moest eerst nog gebalsemd worden. Zoals wij soms urenlang waken bij het lichaam van een dode, zo wilden de vrouwen het lichaam van hun dierbare rabbi nog eenmaal aanraken, balsemen, strelen. Het was hun manier van afscheid nemen. Maar dan: de steen blijkt weggerold. Hier lopen de ervaringen van de vrouwen en van ons uiteen. Want als wij naar een graf gaan, soms nog jaren na de begrafenis: de steen ligt er nog steeds. De steen boven de kist of de urn. En als er een crematie is geweest en de as is uitgestrooid; dan weten we toch: deze mens is onherroepelijk gestorven. Hij of zij is niet meer onder ons. En dat doet pijn; heel veel pijn. Je kunt er voor weglopen, maar dan gaat de pijn met je mee. Je moet erdoor heen; er is geen andere weg. Met het loslaten op de dag van de uitvaart begint de moeizame rouwarbeid. Met het eerste uit handen geven van het dode lichaam begint pas dat gaan van die soms lange weg van echt uit handen geven, het echt loslaten van die andere persoon; van die vader of moeder, die broer of zus, dat kind, dat familielid, die dierbare vriend of vriendin.

Toch staan we in die tijd van pijn en verdriet bepaalde momenten dicht bij de vrouwen uit het evangelie. Dat is op die ogenblikken dat we voelen: hij of zij is nog steeds dichtbij me. Verborgen, onzichtbaar, maar toch: we voelen dat hij of zij ons met liefde omgeeft. Er is een uitleg van het evangelie die zegt: die mannen in die witte gewaden bij het lege graf zijn geen engelen. Het verhaal verwijst naar een gewoonte uit de eerste eeuw. Uit de jonge kerk kwamen van heinde en ver christenen naar Jeruzalem. Zij wilden ook het graf van Jezus bezoeken. De gemeenschap van Jeruzalem ving de bedevaartgangers daar op. Ze kregen een boodschap mee, een stukje verkondiging: zoek de levende niet hier onder de doden. Hij leeft. Hij is niet hier; hij is uit de dood opgewekt.

Zo is het rond Jezus; zo is het ook met onze gestorven dierbaren. Ze zijn verdwenen, en toch kunnen we voelen dat ze heel dichtbij ons zijn. Hemel en aarde kunnen elkaar raken. Voor zulke momenten dat hemel en aarde elkaar raken zoeken we symbolen; we willen het onzegbare, het onbegrijpelijke toch verbeelden. Zo kunnen we zeggen: bij geboorte en dood zijn er meer engelen in de kamer. Er zijn ook later momenten dat we voelen: de hemel is niet ver weg. De liefde van God, de liefde van engelen en heiligen, en ook de liefde van onze gestorven dierbaren: ze zijn verborgen maar toch haast tastbaar aanwezig in ons leven.

Dat u zulke momenten heeft: ik wens het u toe. De pijn en het verdriet kunnen nog zo groot zijn, toch is er diep in ons verborgen nog iets anders. Soms staan we er ineens voor open. Het is de kerk van nu, weer een man in een wit gewaad, die tegen u zegt: "Zoek de levende niet onder de doden". Hij of zij ligt niet in het graf, is niet uitgestrooid over de akker. Hij of zij is uit de dood opgewekt. Hij of zij is onzichtbaar, is verborgen voor ons in een andere dimensie. Maar hemel en aarde zijn niet ver van elkaar. Laten wij rouwen om onze doden. Laten we de pijn en het verdriet delen met elkaar, hoe intens die ook is. Laten we onze ziel openen voor God en voor elkaar. Juist dan zou het kunnen zijn dat we iets gaan ervaren van die verborgen aanwezigheid, van die ervaring van liefde, vanuit de hemel naar ons hier op aarde. Zoals de doden zijn opgewekt, zo kan de liefde uit de hemel ook ons aanraken, troosten, opbeuren, de toekomst in dragen. Het kan samen gaan: het dragen van de pijn, en het gedragen worden door de liefde van God en van onze dierbaren in de hemel. Het is de liefde van God die ook ons kan opwekken, verder kan doen gaan. Zodat we tegen elkaar kunnen zeggen: ik heb pijn en verdriet, soms onpeilbaar diep. Maar ten diepste ben ik een opgewekt mens.